De vierde khaliefah
Na de dood van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) kwamen de moslims onder de heerschappij van de vierde khaliefah, namelijk cAlie ibn abie Taalib (moge Allah met hem behaagd zijn). cAlie wilde deze grote verantwoordelijkheid zelf niet op zich nemen. De mensen wisten echter dat cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) de enige onder hen was die deze zware taak op zich kon nemen.
De toename van opstandelingen
cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) moest in deze periode voor rust zorgen en de gemoederen bedaren. Hij probeerde met zijn wijsheid, kennis en rechtvaardigheid de onrust die ontstaan was, weg te nemen. Hij vermaande de mensen middels zijn geweldige preken en probeerde zo weer de moslims nader tot elkaar te brengen.
Het duurde niet lang voor het eerste geschil plaatsvond. De vrome metgezellen Talhah en Az-Zubayr (moge Allah met hen beiden behaagd zijn) kwamen naar cAlie en zeiden tegen hem: “Het is een plicht voor ons om de moordenaars van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) te bestrijden.” Echter was het zo dat cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) deze mening niet deelde. cAlie had gezien hoe groot de groep was geworden die tot stand was gekomen door de joodse man cAbdullaah ibn Saba´, de stichter van de sjiietische stroming. De opstandelingen waren in hoeveelheid toegenomen en zij hadden daarnaast nog vele helpers. Hun macht en kracht was enorm toegenomen. Vandaar dat cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) vond dat de mensen geduld moesten hebben totdat zij in kracht zouden toenemen en weer de controle over de situatie zouden krijgen.
Spanningen tussen de metgezellen
De metgezellen, die van mening waren om de moordenaars van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) te bestrijden, verlieten teleurgesteld en boos de leider der gelovigen. Onder deze metgezellen behoorde ook de vrome metgezel Mucaawiyah ibn abie Sufyaan (moge Allah met hem behaagd zijn). Hij was enorm teleurgesteld en wilde graag wraak nemen op de moordenaars van cUthmaan ibnu cAffaan (moge Allah met hem behaagd zijn).
Men dient vandaag de dag uit te kijken voor degenen die deze vrome metgezellen onrecht aandoen. Zo horen en lezen wij woorden van bepaalde mensen, die over deze vrome metgezellen verteld worden, die de haren op de huid rechtop doen staan. Het is uiterst gevaarlijk om voor deze weg te kiezen, omdat Allah (Geprezen en Verheven zij Hij) Degene is Die behaagd is over hen. Degene die de metgezellen veracht, veracht in werkelijkheid het geloof, want zij zijn de dragers van het geloof en de volgelingen van de Profeet (Allah’s gebeden en vrede zij met hem). Wie de metgezellen veracht, veracht dus de Islam.
cAlie komt met een overeenkomst
De woede van Mucaawiyah (moge Allah met hem behaagd zijn) nam alleen maar toe. Mucaawiyah (moge Allah met hem behaagd zijn) weigerde daarna om cAlie als leider der gelovigen te erkennen. Dit was een andere grote beproeving voor cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn). Mucaawiyah (moge Allah met hem behaagd zijn) was vastberaden om de moordenaars van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) te wreken. cAlie stuurde boodschappers naar Mucaawiyah, die de gouverneur van Syrië was, om alsnog de eed van trouw te zweren, maar tevergeefs. Mucaawiyah (moge Allah met hem behaagd zijn) en achter hem al de mensen van Syrië weigerden om te accepteren wat er met cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) was gebeurd en wilden niet geduldig afwachten. Vanaf dit moment begon het grootste geschil.
En Talhah en Az-Zubayr (moge Allah met hen beiden behaagd zijn) gingen naar de moeder der gelovigen cAa’ishah (moge Allah met haar behaagd zijn) die zich in Mekkah bevond voor het verrichten van de rituelen van de bedevaart. cAa’ishah (moge Allah met haar behaagd zijn) verzocht de mensen om wraak te nemen voor de onrechtvaardige dood van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn). Veel van de mensen gaven hun steun aan cAa’ishah en waren het met haar eens. De gehele groep, inclusief cAa’ishah, vertrok naar al-Basrah omdat dit een betere plek voor hun oproep zou zijn. Het nieuws bereikte cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) en hij maakte zich zorgen om de toekomst van de moslimgemeenschap. cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) wilde het vergieten van bloed voorkomen en wilde de eenheid van de moslimgemeenschap herstellen. Hij stuurde vervolgens Qacqac ibn cAmr (moge Allah met hem behaagd zijn) naar cAa’ishah, Talhah en Az-Zubayr (moge Allah met hen allen behaagd zijn) om met hen een vreedzame overeenkomst te bereiken. Qacqac ibn cAmr (moge Allah met hem behaagd zijn) legde hen haarfijn uit wat de plannen van cAlie waren en waarom hij het bestrijden van de moordenaars van cUthmaan heeft uitgesteld. Beide groepen waren na dit gesprek tevreden en bereikten een vreedzame overeenkomst. De mensen waren verheugd met het goede nieuws en de rust was voor eventjes teruggekeerd.
De moordenaars van cUthmaan (moge Allah met hem behaagd zijn) hoorden van de overeenkomst en waren hier zeer ontstemd over. Vooral ibnu Saba’ vreesde voor zijn ondergang. Hij besloot samen met zijn volgelingen om in de donkerte van de nacht het leger van cAa’ishah (moge Allah met haar behaagd zijn) aan te vallen. Beide groepen dachten dat de overeenkomst geschonden werd door de ander en dat alles gelogen is. Er kwam een einde aan de veldslag waarin vele slachtoffers zijn gevallen, waaronder ook Talhah en Az-Zubayr (moge Allah met hen beiden behaagd zijn).
cAa’ishah (moge Allah met haar behaagd zijn) besloot na deze veldslag terug te keren naar Mekkah. Zij werd voor haar vertrek door cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) bezocht en hij behandelde haar met zachtaardigheid en respect. Hij beval om haar een kameel te geven en proviand voor haar reis naar Mekkah.
De groepen komen nader tot elkaar
Nadat cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) de ene beproeving doorstaan had, stond er een andere te wachten. cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) keerde terug naar Al-Koefah (in Irak) en beheerde de hele moslimstaat, met uitzondering van Syrië. De mensen volgden Moecaawiyah (moge Allah met hem behaagd zijn) en weigerden aan de leider der gelovigen (moge Allah met hem behaagd zijn) trouw te zweren. Moecaawiyaah ibn abie Sufyaan (moge Allah met hem behaagd zijn) begon samen met de mensen van As-Shaam met de voorbereidingen van een hevige veldslag. Weer gingen de moslims de fout in door tegen elkaar in strijd te gaan en onnodig bloed te vergieten. Toen de strijd steeds heviger werd en het leven van vele metgezellen ten einde kwam, legden de mensen van As-Shaam boeken van de Koran aan de zwaardpunten en hielden deze omhoog. Zij wilden hiermee een einde maken aan het gevecht en de Koran als scheidsrechter tussen de groepen laten fungeren. Zij zagen ook dat de overwinning voor cAlie nabij was. De mensen van Irak waren het samen met cAlie met dit voorstel eens en ook de mensen van As-Shaam waren het met Mucaawiyah eens met dit voorstel. Beide groepen kozen een vertegenwoordiger. cAlie koos voor Aboe Moesa Al-Ashcarie en Mucaawiyah koos voor cAmr ibn Al-caas (moge Allah met hen allen behaagd zijn). Deze beide metgezellen zouden met een beslissing moeten komen die de groepen weer nader tot elkaar zal brengen. En er zijn vele leugens en valse beschuldigingen over de totstandkoming van de beslissingen van beide metgezellen verspreid die niet kloppen en waarvoor men moet uitkijken.
Er was een andere partij, die oorspronkelijk aan de kant van cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) stond, maar na de beslissing van Moesa en cAmr (moge Allah met hen beide behaagd zijn) zich tegen cAlie keerden. Dit waren de Khawaaridj waar de Profeet (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) voor gewaarschuwd had en heeft bevolen hen te bestrijden. Zij waren de eerste dwalende groepering binnen de Islam. Eén van hun kenmerken is het bestrijden van de leider van de moslims. Ook treedt degene die een grote zonde pleegt volgens hen buiten de cirkel van de Islam. Zij verklaarden de oorlog tegen cAlie en kwamen tegen iedereen in opstand. Ze verspreidden het kwaad, zorgden voor onrust en vergoten het bloed van de moslims. Ze begonnen een veldslag tegen cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) waarin ze een pijnlijk verlies leden. Zij slaagden er echter in na deze veldslag hun krachten weer bij elkaar te brengen en hun verdorven denkbeeld te verspreiden.
In de laatste fase van de khilaafah van cAlie (moge Allah met hem behaagd zijn) stuurde Mucaawiyah een boodschap naar cAlie om vrede te sluiten. Er kwam een einde aan deze oorlogssituatie.
De fouten van de metgezellen
Het is zeker van belang om duidelijk te maken dat de metgezellen mensen waren die fouten konden maken. Echter wordt hen dat niet kwalijk genomen, omdat eenieder zich inspande op basis van zijn mening. De waarheid bevond zich met cAlie, maar Mucaawiyah wordt niets kwalijk genomen en hij behoort tot degenen die zich voor dit geloof middels hun bezit en ziel hebben ingezet. Het is dus niet toegestaan om één van de metgezellen van de Profeet uit te schelden of ongelovig te verklaren. De Profeet (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) zegt in een authentieke overlevering: “Scheld mijn metgezellen niet uit! Als één van jullie het gelijke aan (de berg) Uhud in goud zou uitgeven, dan zou hij niet een handvol van één van hen bereiken, noch de helft daarvan.” (Al-Bukhaarie en Muslim)
Allah heeft in meerdere verzen Zijn welbehagen over de metgezellen uitgesproken. Hij zegt onder andere:مِنَ الْمُؤْمِنِينَ رِجَالٌ صَدَقُوا مَا عَاهَدُوا اللَّهَ عَلَيْهِ“Onder de gelovigen zijn er mannen die trouw blijven aan de verbintenis die zij met Allah zijn aangegaan.” (Al-Ahzaab, 23)
En Allah zegt ook over hen:رَّضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا عَنْهُ“Allah is met hen behaagd en zij zijn met Hem behaagd.” (Al-Bayyinah, 8)
Niemand heeft het recht om één van de metgezellen uit te schelden, aangezien hun verdiensten zonneklaar zijn. Zij waren het die het geloof groot hebben gemaakt, dit hebben verspreid en verdedigd, de Koran en de Sunnah aan ons hebben doorgegeven en hun levens en bezittingen hebben opgeofferd omwille van dit geloof. Allah heeft hen uitverkoren en gekozen om de Profeet (vrede zij met hem) te vergezellen. Het beledigend bejegenen van de metgezellen is dus tevens een belediging aan het adres van de Profeet (Allah’s gebeden en vrede zij met hem). Moge Allah (Geprezen en Verheven zij Hij) ons hiervoor behoeden.
