Vervolgens hield hij ervan om alleen te zijn, dus trok hij zich terug in de grot van Hiraa’. Hij bracht er dag en nacht door met het mediteren en smeken van zijn Heer. En hij verafschuwde afgoden, alcohol en verdorven gedrag. Hij schonk hier in zijn leven nooit aandacht aan.
Toen Mohammed (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) de leeftijd van vijfendertig jaar bereikte, nam hij tezamen met Quraysh deel aan de wederopbouw van de Kacbah, nadat het verwoest was door een overstroming. Toen zij – Quraysh – een geschil kregen over het plaatsen van de zwarte steen stelden zij hem – Mohammed (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) – aan als arbiter in deze zaak. Hij vroeg om een kledingstuk en plaatste de steen erin. Vervolgens beval hij de stamhoofden om de uiteinden van het kledingstuk vast te houden. Zij tilden allemaal de steen op en vervolgens pakte Mohammed de steen en legde deze op zijn plek en plaatste daaromheen stenen en mortel. Iedereen was tevreden en er kwam een einde aan de onenigheid.
Het geloof van de Arabieren
De mensen van onwetendheid beschikten over prijzenswaardige eigenschappen zoals vrijgevigheid, loyaliteit en dapperheid. En sommigen onder hen volgden wat principes van het geloof van Ibraahiem, zoals de verering van het Huis (de Kacbah) en de rondgang daaromheen, de uitvoering van de grote- en kleine bedevaart en het geven van offers. Maar daarnaast hadden zij ook slechte eigenschappen en gewoontes, zoals ontucht, het drinken van alcohol, consumeren van rente, het doden van hun dochters, onrecht en het aanbidden van afgodsbeelden.
De eerste die veranderingen bracht in de godsdienst van Ibraahiem en uitnodigde naar het aanbidden van afgodsbeelden was cAmr ibn Luhay Al-Khuzaacie. Hij bracht de afgodsbeelden naar Mekka en andere plaatsen en riep de mensen op deze te aanbidden. Hiertoe (tot de afgoden) behoorden Wudd, Suwaac, Yaghoeth, Yacoeq en Nasraa.
Later namen de Arabieren andere afgoden, waaronder de afgod Manaat in een plaats genaamd Qadied, Allaat in Attaïf, Al-cUzza in Waadie Nakhlah, Hubal te midden van de Kacbah, andere afgoden rondom de Kacbah en in hun huizen. En de mensen zochten raad bij de waarzeggers, helderzienden en tovenaars.
De bestrijding van afgoderij
Toen het polytheïsme en de verdorvenheid zich zo verspreidde, zond Allah Mohammed (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) op zijn veertigste om de mensen uit te nodigen naar het aanbidden van alleen Allah en het nalaten van het aanbidden van afgodsbeelden. Quraysh weigerde hem hierin te geloven en zij zeiden: أَجَعَلَ الْآلِهَةَ إِلَهاً وَاحِداً إِنَّ هَذَا لَشَيْءٌ عُجَابٌ “Heeft hij de goden tot één God gemaakt? Voorwaar, dit is zeker een verbazingwekkend iets.” (Saad, 5)
Deze afgodsbeelden werden in plaats van Allah aanbeden totdat Allah Zijn Boodschapper Mohammed (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) zond met het monotheïsme. Hij en zijn metgezellen (moge Allah behaagd met hen zijn) vernielden en vernietigden ze, waardoor de waarheid duidelijk werd en de valsheid ten onder ging: وَقُلْ جَاء الْحَقُّ وَزَهَقَ الْبَاطِلُ إِنَّ الْبَاطِلَ كَانَ زَهُوقاً “En zeg: ‘De Waarheid is gekomen en de valsheid is ten onder gegaan.’ Voorwaar, de valsheid gaat ten onder.” (Al-Israa’, 81)
De eerste openbaring
De eerste openbaring die neerdaalde op de Profeet (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) was in de grot van Hiraa’ – waar hij in mediteerde -, toen Djibriel tot hem kwam en hem beval om te lezen. De Boodschapper (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) zei: “Ik kan niet lezen.” Dit herhaalde zich totdat hij (Djibriel) de derde keer tegen hem zei: اقْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ خَلَقَ الْإِنسَانَ مِنْ عَلَقٍ اقْرَأْ وَرَبُّكَ الْأَكْرَمُ “Lees voor! In de naam van jouw Heer, Die heeft geschapen. Hij heeft de mens geschapen van een bloedklomp. Lees voor! En jouw Heer is de Meest Edele.” (Al-cAlaq, 1-3)
De Boodschapper ging terug (naar huis) en zijn hart sidderde. Hij kwam binnen bij zijn vrouw Khadiejah en berichtte haar (over wat er gebeurd was) en zei dat hij voor zichzelf vreesde. Ze kalmeerde hem en zei: “Bij Allah, Allah zal je nooit vernederen. Waarlijk, jij houdt contact met de (bloed)verwanten, helpt de zwakken, eert de gasten, zorgt voor de arme en ondersteunt anderen bij hun onheil.”
Waraqah ibn Nawfal herkent de profeetschap
Vervolgens ging ze met hem naar de zoon van haar oom Waraqah ibn Nawfal, die christen was geworden. Toen hij hem vertelde (over de gebeurtenis) verblijde hij hem en zei tegen hem: “Dit is de Naamoes1 die Allah zond naar Moesa.” En hij adviseerde hem om geduldig te zijn als zijn volk hem kwaad zal doen en zal verdrijven.
Toen stopte de openbaring voor een tijdje, wat de Boodschapper (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) bedroefde. Toen hij op een dag aan het lopen was, zag hij de engel weer, tussen de hemel en de aarde. Hij ging terug naar zijn huis en bedekte zich. Waarop Allah aan hem openbaarde: يَا أَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ قُمْ فَأَنذِرْ “O jij ommantelde. Sta op en waarschuw!” (Al-Muddathir, 1-2)
Daarna zetten de openbaringen op de Boodschapper (Allah’s gebeden en vrede zij met hem) zich voort.
- De Naamoes is de benaming van degene die met de openbaring neergezonden wordt en dat is de aartsengel Djibriel (vrede zij met hem).
